Plinius en een AWN uitstapje

 

 


Plinius de Oudere over de noordelijke Nederlanden (..en een AWN uitje)

 

 


Vandaag is de TV-documentaire over de zegeningen van het Groningse aardgas 'Geschenk uit de bodem' uitgezonden. Hierbij werd Plinius de Oudere aangehaald. Omdat Plinius interessante verhalen vertelde over de noordelijke gebieden en omdat we ons onlangs in los AWN-verband in het terpengebied waagden wil ik deze quotes gaarne weergeven hieronder.. en het is uiteraard een excuus om wat foto's van dit uitstapje te plaatsen..

 


Maar eerst: Wie was Plinius? (Vrij onbevangen geleend uit Wikipedia, gelardeerd met eigen foto's. AH)

Plinius de Oudere werd geboren te Novum Comum dat tegenwoordig Como heet in 23 of 24 n.Chr. en kwam om het leven in de buurt van Stabiae door de gevolgen van de uitbarsting van de Vesuvius op 25 augustus 79. 

Plinius de OudereHij kwam uit een rijke familie, wat betekent dat hij ten minste 400.000 sestertie in bezit had. Het was voor hem hierdoor mogelijk om te studeren. 

Plinius was Romeins ridder onder de keizers Claudius, Nero en Vespasianus en advocaat en adviseur gedurende het keizerschap van Vespasianus. 

Plinius de Oudere kwam naar Rome om voor een onbekende tijd in het leger te dienen. Hij zou naar Germanië zijn gegaan in de cavalerie. Zijn eenheid was gestationeerd in Xanten (Castra Vetera) aan de Neder-Rijn. Plinius zou terug zijn gekomen in Rome voor of in het jaar 52 waarschijnlijk om Pomponius naar Rome te vergezellen. Een andere bron vertelt ons echter dat hij dienstdeed in het leger in Germanië in de periode 46-58. 

Plinius de Oudere was onder Vespasianus vaak afwezig vanwege staatszaken op vele plaatsen in het Romeinse Rijk. Ondanks deze bezigheden besteedde hij het grootste deel van zijn tijd als lezer en schrijver. Hoewel hij niet kritisch was en vaak bijna overhaast te werk ging, had hij een enorme dorst naar kennis van alles om hem heen. Door de woordkeuze in het enige overgebleven werk van Plinius, Naturalis Historia, is op te maken dat Plinius vijandig stond tegenover keizer Nero. Dit zou verklaren waarom Plinius de Oudere veel minder actief op politiek gebied gedurende de heerschappij van Nero in vergelijking met de periode waarin Vespasianus keizer was. Mede door deze activiteit gedurende de heerschappij van Vespasianus schreef hij zijn twee bekendste werken, De beboeting van Aufidi Bassi en de Naturalis Historia. 

Gedurende zijn leven sliep Plinius de Oudere weinig. Hij wilde geen oog dichtdoen om te voorkomen dat hij iets van het leven zou missen: Vita vigilia est (het leven is: wakker zijn). Om nog beter zijn tijd te benutten, zou hij zich tijdens het eten en het baden voor laten lezen en zou hij aantekeningen laten maken. Later verzamelde hij alle feiten die hij had gevonden gedurende zijn leven in het werk Naturalis Historia. 

Plinius de Oudere kwam om nabij Stabiae door de uitbarsting van de Vesuvius. De dood van Plinius de Oudere is beschreven in de Epistulae VI, 16 van Plinius de Jongere, voor wie Plinius de Oudere tegelijkertijd oom en adoptievader was. Plinius de Oudere wilde vanuit Misenum naar de Vesuvius zowel om de mensen daar te redden als om op onderzoek uit te gaan. Hij zou zijn omgekomen door ademhalingsproblemen, veroorzaakt door de combinatie van astma en de stof die door de vulkaan in de lucht zat. Andere bronnen zeggen dat Plinius een boodschap had gekregen van een dame in nood die hij wilde redden. Hierdoor stierf hij op het strand van de baai van Napels doordat hij zich te dicht bij de vulkaan had gewaagd. Het is een toepasselijk einde voor een man met een dergelijke lust naar kennis. 

  • plinius-03
  • plinius-04
  • plinius-5

 

 

 

 

Naturalis Historia

Naturalis Historia is een encyclopedie bestaande uit 102 (waarvan 37 bewaarde) boeken, waarin de Romein Plinius de Oudere halverwege de 1e eeuw na Chr. (het eerste boek verscheen in 77) alle hem bekende feiten en feitjes heeft verzameld, om zo te proberen een compleet beeld van de (toen bekende) wereld te geven.

Plinius verzamelde niet alleen, hij leverde vaak ook commentaar. Zo komt hij bij de beschrijving van de werelddelen tot de conclusie dat de wereld meer lengte heeft dan breedte en dat deze enigszins bol moet zijn, omdat de zon niet overal op dezelfde tijd opkomt.

Het boek is een aantal malen in het Nederlands vertaald, voor het eerst in 1610; in de zeventiende en achttiende eeuw verschenen er tientallen, vaak geïllustreerde edities en was de Nederlandstalige Plinius een populair boek, dat veel enigszins ontwikkelde bewoners van de Lage Landen naast hun Bijbel en hun Cats hadden staan. Een vertaling verscheen in 2004 bij Athenaeum-Polak & Van Gennep onder de titel: De wereld.

 

 

 

Wierden bewoond door de Chauken

plinius 01Kaart van 50 n. Chr met het leefgebied van de Chauken (in geel) naast dat van de Friezen
Het boek is ook bekend, omdat het de eerste beschrijving geeft van de wierden die in het toenmalige noorden van Nederland werden bewoond door de Chauken. Volgens Plinius "een niet te benijden volk": ze moeten voor de opkomende oceaan vluchten op zelfgemaakte heuvels, lijden kou en kunnen geen vee houden. Tot overmaat van ramp moeten ze regenwater uit kuilen voor hun huizen drinken (boek 16, 2).

De Chauken

De Chauken

De Chauken (Latijn: Chauci) waren een Germaanse stam in het Noord-Duitse gebied tussen de Eems en de Elbe. In eerste instantie waren ze bondgenoot van de Romeinen en leverden ze hulptroepen aan Germanicus in diens veldtocht tegen Arminius. Dit blijkt niet alleen uit historische bron, maar ook uit vondsten uit een ruiterkamp op de Hunerberg bij Nijmegen.

Later (47 n.Chr.), na de opstand van de Friezen (28 n.Chr.), deden ze onder leiding van de Caninefaat Gannascus invallen in Germania Inferior en plunderden de kusten van Gallia Belgica. Corbulo probeerde Gannascus te vermoorden door een missie naar de Groot Chauken te sturen, wat tot grote ophef onder de Chauken leidde. Daarop verbood Claudius aan Corbulo verdere acties in Germania Transrhenanum te ondernemen, aangezien een nieuwe opstand dreigde.

In 58 n.Chr. verdreven de Chauken hun buurstam de Ampsivariërs uit het gebied van de Eemsmonding.

PdO: (...) wat is de natuur en karakteristieken van het leven van mensen die leven zonder bomen of struiken. We hebben inderdaad gezegd dat in het oosten, aan de kusten van de oceaan, een aantal rassen in zulke behoeftige condities verkeren; maar dit geldt ook voor de rassen van volkeren die de Grote en Kleine Ghaucen genoemd worden, die we gezien hebben in het noorden. Daar stort, twee keer in elke periode van een dag en een nacht, de oceaan zich met een snel getij zich over een onmetelijke vlakte, daarbij de eeuwenoude strijd van de Nature verhullend of het gebied tot het land of de zee behoort. Daar bewoont dit miserabele ras opgehoogde stukken grond of platforms, die ze met de hand hebben aangelegd boven het niveau van het hoogst bekende getij.

Levend in hutten gebouwd op de gekozen plekken, lijken zij op zeelieden in schepen als het water het omringende land bedekt, maar op schipbreukelingen als het getij zich heeft teruggetrokken, en rond hun hutten vangen ze vis die probeert te ontsnappen met het aflopende getij. Het is voor hen niet mogelijk om kuddes te houden en te leven op melk zoals de omringende stammen, ze kunnen zelfs niet met wilde dieren vechten, omdat al het bosland ver weg ligt. Ze vlechten touwen van zegge en biezen van de moerassen om daarmee netten te kunnen uitzetten om vis te vangen, en zij graven modder op met hun handen en drogen het meer in de wind dan in de zon, en met aarde als brandstof verwarmen zij hun voedsel en hun eigen lichamen, bevroren in de noordenwind.
Hun enige drank komt van het opslaan van regenwater in tanks in het voorhof van hun huizen. En dit zijn de rassen die, als ze nu overwonnen worden door de Romeinse natie, zeggen dat ze vervallen tot slavernij! Het is maar al te waar: Het lot spaart de mens bij wijze van straf.

Brandstof vóór het aardgas

Het gebruik van veen als brandstof is erg oud. De Romein Plinius de Oudere beschreef in Naturalis Historia dat de Chauken van modder ballen draaiden en die als brandstof gebruikten. Toen in de middeleeuwen de bevolking bleef groeien en het hout steeds schaarser werd kwam turf op grote schaal als brandstof in gebruik. Niet alleen voor huisgebruik, maar ook door de ambachtslieden en bij industriële activiteiten. In de moerassige veengebieden hadden afgestorven planten na honderden jaren een metersdikke veenlaag gevormd die men kon wegsteken of kon opbaggeren om het vervolgens te drogen te leggen op legakkers. De turf werd daarna met platbodemschepen, deels langs speciaal aangelegde wijken, naar de gebruikers gevaren. Turf afkomstig uit hoogveen was in het algemeen van betere kwaliteit dan turf uit laagveen.

Foto's van het uitstapje naar de noordelijke provincies, vnl. uit het Informatiecentrum Terp Hegebeintum en een viertal uit Westeremden, de woonstee van Helmantel, de schilder.

  • friesland-01
  • friesland-01a
  • friesland-02
  • friesland-03
  • friesland-04-Groningen-Westeremden
  • friesland-04A-Groningen-Helmantel-Westeremden
  • friesland-04B-Groningen-Helmantel-Westeremden
  • friesland-05
  • friesland-06
  • friesland-07
  • friesland-08
  • friesland-09
  • friesland-10
  • friesland-11
  • friesland-12
  • friesland-13
  • friesland-14
  • friesland-15
  • friesland-16
  • friesland-17
  • friesland-18
  • friesland-19
  • friesland-20
  • friesland-21
  • friesland-22

Deel deze pagina:

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn