Groesbeek, Spoorlaan Grhs4

 

 


GRHS4

 

 


Opgraving Grhs4 Groesbeek Spoorlaan door AWN-afdeling 16 Nijmegen e.o.

Klik hier voor het complete rapport Grhs4 in PDF
logoPDF

 

 

 

 

Korte samenvatting door Willem Kuppens



Op 21 en 22 oktober 2016 voerde AWN-afdeling 16 een opgraving uit op een perceel tussen de Spoorlaan en (draisine-) spoorweg te Groesbeek (gemeente Berg en Dal). Binnenkort verrijzen op deze plaats twee supermarkten met daaronder een parkeergarage.

Eerder werd op het terrein in opdracht van de gemeente Berg en Dal door RAAP een proefsleuvenonderzoek (IVO-P)1 uitgevoerd. Het advies van RAAP op het terrein een meer uitgebreide opgraving (een zgn. DO)2 te laten uitvoeren werd door het voor archeologie bevoegde gezag van de gemeente niet overgenomen. Het terrein werd vervolgens door de gemeente vrij gegeven. Dat bood voor de AWN-afdeling de mogelijkheid in eigen beheer een archeologisch onderzoek uit te voeren. Op initiatief van Frans Peters (de opgravingscoördinator van onze afdeling) en met medewerking van de projectontwikkelaar én de gemeente Berg en Dal werd bedoeld archeologisch vervolgens uitgevoerd.


Onder leiding van Willem Kuppens, lid van onze afdeling en als veldtechnisch medewerker werkzaam binnen het Bureau Archeologie van de gemeente Nijmegen, werd het terrein op het juiste niveau gevlakt met een door de projectontwikkelaar/gemeente beschikbaar gestelde graafmachine, waarna door Willem het aloude principe van het uitzetten van meetlijnen gedemonstreerd werd.
Later op de dag kreeg het onderzoeksteam de beschikking over een GPS-gestuurde Robotical Total Station (RTS), zodat we niet echt gebruik hoefden te maken van de meetlinten en alle sporen digitaal konden worden ingemeten. 
We hadden voldoende tijd om ons weer eens te laten voorlichten over de juiste werkwijze tijdens een opgraving (conform KNA - Kwaliteitsnormen Nederlandse Archeologie). Zo kwamen naast het documenteren van sporen en vondstmateriaal ook het benoemen van de verschillende bodemlagen en het tekenen van profielen en coupes aan de orde.
Inmiddels is het vondstmateriaal schoongemaakt en in de droogkamer geplaatst.
Het rapport van deze opgraving zal binnenkort verschijnen onder de naam ‘Grhs4-2016’.
De opgravers in willekeurige volgorde: Willem Kuppens, Frans Peters, Marijke Pennings, Pauline de Weijer, Marijke Hendriks, Ben Teubner, Mark van Loon, Wim Weyers en Aad Hendriks.

Hierbij alvast de voorlopige resultaten:

•    Oost-west liggende werkput van ca. 75 bij 20 meter. Eén vlak aangelegd (vlak 1), overwegend op het niveau overgang van S5010 (ME-akker) naar S5040 (B/C-horizont; “mollenlaag” tussen akker en ongeroerde natuurlijke laag S5050). Bij het aanleggen van het vlak werd zoveel mogelijk de glooiing van het terrein gevolgd (thans nog van zuid naar noord aflopend).
•    Naar het oosten toe werd de akkerlaag steeds dunner. In de meest oostelijke 10 meter van de werkput was de akkerlaag S5010 (en zelfs de S5040 B/C-horizont) niet meer aanwezig. Op het vlak kwam de natuurlijke laag S5050 sterk in beeld. De indruk bestaat dat het terrein (i.c. de ME-akker) in vroeger tijden van west naar oost licht omhoog liep.
•    Akkerlaag S5010 was in het westen van de werkput ook al niet dik meer (max. 25 cm). De resterende akkerlaag was afgedekt door recent opgebrachte ophogingslagen (S5000) en in het verleden anderszins al behoorlijk afgetopt.
•    In totaal werden 35 "echte" sporen op vlakniveau gedocumenteerd (kuilen, paalgaten e.d.). 11 sporen werden na onderzoek (couperen) vervallen verklaard. Bleken nazakkingen van akkerlaag in B/C-horizont.
•    Voorts werden een hele serie recente sporen (stiepen, kuilen en sleuf van PVC-buis) als S999 gedocumenteerd. De stiepen en kuilen (de meesten keurig op lijn) hebben vermoedelijk een relatie met gesloopte bouwsels op het vml. spoorwegemplacement.
•    In totaal werden 37 vondstnummers uitgegeven. De meeste vondsten waren afkomstig uit akkerlaag S5010. Veelal gaat het om scherven aardewerk (globale datering tussen 12e en 19e eeuw). Voorts diverse spijkers, een musketkogel en een recente munt.
•    Tijdens het couperen van de sporen werden eveneens scherven aardewerk aangetroffen (vroegste materiaal: fragment Pingsdorf-aardewerk – 11e-13e eeuw).
•    Eén kuil (S16) bevatte een concentratie grauwacke, fragmenten baksteen en een flinke hoeveelheid houtskool (nog niet kunnen dateren).
•    In twee kuilen waren onderin de aangrenzende akkerlaag S5010 duidelijk schopsteken te zien.

Samenvattend bestaat de indruk dat akkerlaag S5010 in de late middeleeuwen én in de nieuwe tijd als zodanig in gebruik is geweest (globaal tussen ca. 1200 en de tweede helft van de 19e eeuw. De akkerlaag is op enig moment behoorlijk afgetopt en afgedekt door tenminste twee ophogingslagen. Vermoedelijk is e.e.a. gebeurd ten behoeve de aanleg van het spoorwegemplacement (tweede helft 19e eeuw).

Vooralsnog werden géén duidelijke sporen uit prehistorie, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen aangetroffen.
Onze voorlopige bevindingen komen overigens aardig overeen met de bevindingen van RAAP zoals vastgelegd in hun rapportage inzake het IVO-P.

________________________________
1IVO-P staat voor Inventariserend VeldOnderzoek door middel van Proefsleuven.
2DO staat voor Definitieve Opgraving.

 

 


  • GRHS4-01
  • GRHS4-02
  • GRHS4-03
  • GRHS4-04
  • GRHS4-05
  • GRHS4-06
  • GRHS4-07
  • GRHS4-08
  • GRHS4-09
  • GRHS4-10
  • GRHS4-11
  • GRHS4-12
  • GRHS4-13
  • GRHS4-14
  • GRHS4-15
  • GRHS4-16
  • GRHS4-17
  • GRHS4-18
  • GRHS4-19
  • GRHS4-20
  • GRHS4-21
  • GRHS4-22
  • GRHS4-23
  • GRHS4-24
  • GRHS4-25
  • GRHS4-26

Deel deze pagina:

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn